WAARDEN EN NORMEN UIT 1915
U heb ik lief, mijn blauwgekielde,
Mijn Hollands frisch ontloken jeugd.
De Genestet.

Er zijn er ook, die er een weinig anders over denken dan De Genestet doet in zijn "Aan de Hollandsche Jongens"; waaruit we hierboven een paar regels aanhaalden. Die menen dat het wel goed zou zijn, dat aan de tuchteloosheid onder de jeugd nu eens een einde werd gemaakt. Onder diegenen behoort wel in de eerste plaats de in ons land bestaande Tuchtunie genoemd te worden. En deze vereniging meent dat het de school is die in deze een goed werk zal kunnen doen. De vereniging heeft aan alle gemeentebesturen hier te lande een verzoek gericht, waarin gevraagd wordt dat de gemeentebesturen er bij de onderwijzers op aan zullen dringen dat laatstgenoemden de kinderen zullen wijzen op het verkeerde van ongepaste handelingen. Wij laten hier nu volgen hetgeen een onderwijzer schrijft over het adresverzoek van de Tuchtunie:

Wij,onderwijzers, wij betreuren het dat er in ons land, dat ook Christelijk en beschaafd heet -net zoo goed als de oologvoerenden- nog een dergelijke Unie blijkt noodig te zijn. Wij keuren het lastig vallen van vreemdelingen, het moedwillig vernielen, van alles, wat los en vast zit, door de jeugd en het Jongelingsschap ten zeerste af; Dat hebben we steeds gedaan, in school en daarbuiten. We hebben verboden, vermaand en gestraft, we hebben met ouders en anderen gesproken, we hebben in kranten en boeken geschreven, we hebben dit euvel in ons volk steeds en overal afgekeurd, en we blij- ven dat doen, en daarom is het adresverzoek van de Unie overbodig. Zij vraagt ons iets te doen dat, we al lang deden, geheel vrijwillig, en de enkelen, die zich niets van het gedrag der jeugd op straat aantrokken, zij zullen het ook nu nog niet doen. Met onwillige honden is het slecht hazen vangen. De beste reglementen zullen dan van een laks onderwijzer hoogstens een machine maken. Wij keuren het baldadige in ons volk af, even goed als ieder ander, wij nog meer vaak dan anderen, en wij bemoeien ons er mee, omdat wij invloed op de jeugd hebben, meer dan een gewoon burger. En hebben we dat niet, dan zijn we niet op onze plaats, dan ontbreekt ons iets. En krijgen we nu de gevraagde aanschrijving van het gemeentebestuur, dan zullen we ja, dan moeten we de kinderen op 't verkeerde,van dergelijke handelingen wijzen -als het ten- minste in onze plaats geschiedt, anders ware het misschien slapende honden wakker maken. Maar of we het nu gedwongen beter zullen doen dan. vroeger, toen we het vrijwillig deden, of er meer kracht van ons zal uitgaan, of het meer zal uitwerken, zooveel, dat het euvel niet meer voorkomt, ik betwijfel het zeer. Zeker, wij zullen ons gezag doen gelden, als we van onbehoorlijkheden op straat horen, we zullen het kwaad zoo mogelijk trachten te voorkomen, maar we zullen het niet kunnen keeren, tenminste niet altijd. Want het kwaad zit dieper, wij moeten hulp hebben. En dan vervolgt hij even verder: De ouders, die kunnen in deze veel, op hen vooral rust de taak om dit leelijke gebrek in ons volkskarakter te verhelpen. Van huis uit moeten de verbeteringen beginnen, en werken de ouders niet mee, dan komen we nooit tot ons doel. En dan verder allen, die zich op straat bevinden. Als daar een vreemde door onze dorpen en steden trekt, en hij wordt lastig gevallen, dan moeten de omstanders daar niet om lachen, zij mogen het door woorden en gebaren niet aanmoedigen en evenmin den bedrijver aan een gerechtvaardigde straf, onttrekken. En dat alles gebeurt toch al te vaak, zooals ieder wel heeft gezien. Hoe vaak is het gebeurd dat de politie werd tegengewerkt, als er pogingen werden gedaan om de bengels in handen te krijgen, hoe werd er gejuicht als het mislukte! Ouders en burgers moeten met onderwijzers en politie samenwerken. Waar men de jeugd onbehoorlijk ziet optreden, daar moet ieder burger, wie hij ook zijn moge, het recht en de plicht hebben handelend op te treden. Telkens en telkens weer moeten de bengels voelen dat ze nergens ongestraft hun euveldaden kunnen bedrijven; hij moet in eiken burger een waker voor de algemeene veiligheid zien. En komt de politie opdagen, dan moet die geen tegenwerking ondervinden, maar zij moet geholpen worden. En is het misdrijf strafwaardig, dan moet er snel recht worden gedaan, zoo mogelijk terstond. Dat alles zal afschrikken. De lastige elementen zullen zich nergens veilig gevoelen en daardoor, zij het dan ook noodgedwongen, hun afkeurenswaardig werk te staken. Omdat wij het geheel met dien onderwijzer eens zijn in dezen, hebben we zijn meening hier opgenomen. Het is zooals hij zegt, door samenwerking van ouders en burgers met onderwijzers en politie kan men tot verbetering komen.

Overgenomen uit de 'NIEUWE MERWEBODE' van 23 januari 1915.