De hennepteelt
door: P. Verhagen

De streekgeschiedenis, en in het bijzonder de geschiedenis van het agrarisch bedrijf, oefent momenteel op velen een grote aantrekkings-kracht uit. De een wordt er door verleid tot uitgebreid archiefonderzoek, een ander wordt geobsedeerd door de tastbare herinneringen aan het verleden. Dat kunnen oude boerderijen zijn,of erven,of hutten,of akkertjes waarvan de vormen wijzen op een bijzonder gebruik. De laatstgenoemden waren het die mij tientallen jaren geleden in aanraking brachten met restanten van de hennepteelt. Maar zonder de bereidheid van de streekbewoners inlichtingen te verschaffen over dit merkwaardige gewas zou het beeld dat werd gevormd van teelt, oogst en verwerking toch maar pover zijn gebleven. Onvermoeibaar beantwoordden ze alle vragen en gaven uitgebreid toelichting op wat nog restte aan werktuigen en hutten. Levendig en indringend beschreef men het werk "in de kinnip": de gang naar de braakhut in de nanacht, het zwoegen in de ruimte vol rook, het gevaar van brand en het genoegen dat een goede afloop van het werk gaf.
Zo ontstond door de herinneringen van velen een beeld van de zorg waarmee het land in het voorjaar gereed werd gemaakt, de akkers gespit, geëgd en ingezaaid. Door de ogen van de vertellers zag ik kinderen in het late voorjaar langs de slootkanten draven om gulzige eenden van de met jong groen bedekte akkers te verjagen en om kluiten grond te gooien naar zwermen mussen op een akkertje "over de sloot". Mijmerend bij de plattebuiskachel verhaalden m'n zegslieden over de lotgevallen van het gewas en z'n verdere ontwikkeling. Eerst bracht hoogzomer nog veel zorg vanwege ongedierte, windhozen en buien. Dan, na het oogsten van de mannelijke planten, de gelling, werd het rustiger op de akkers, waar de vrouwelijke planten doorgroeiden. Op stille dagen in de vroege herfst lag het woud van hoge stengels als betoverd in het groene, door het hoge bladerdak gezeefde licht. Later kwam de oogst en daarna de bewerking: het dorsen, het roten, het braken en schillen.
Elke herinnering vormde een bouwsteen. Een oude man vertelde hoe hij 's avonds bij de haard de zeiling schilde en hoe de kinderen strengen, halsters en treklijnen breiden. In het hoge voorvertrek van een boerderij bracht een vrouw, gebarend, de schoonmaak na het hennepschillen weer tot leven en wees het gat naast de grote schouw waardoor ze aarde, stofen achtergebleven stengelstukjes met water wegspoelde. Zo bouwden velen aan het beeld van de hennepteelt dat hierbij aan u wordt doorgegeven.

(40 pag./22 ill./1987) ISBN 90-70960-19-2